Blog

Flexwerk

Is flexwerken wel de heilige graal?

Wanneer we spreken over flex, is dat over het algemeen over de contractuele kant van de zaak. Waarom richten we de discussie niet op ontwikkeling?

Flex is goed, flex is slecht. Het is goed voor de Nederlandse economie, slecht voor de houdbaarheid van ons sociale stelsel, goed voor de veerkracht van ondernemingen, slecht voor de ontwikkeling van mensen, goed voor de autonomie van individuen, slecht voor het innovatievermogen van organisaties, en ga zo maar door.

Flex houdt de gemoederen bezig

Sla een krant of het internet erop na, en in no time vind je al deze meningen over flex terug. Alle goed onderbouwd met steekhoudende argumenten. Aan u om de opinie te kiezen die u het best schikt.

Dat de discussie over flexibele arbeid in Nederland volop wordt gevoerd, is begrijpelijk . In het laatste kwartaal van 2015 had 60 procent van de werkenden in Nederland een vast contract voor onbepaalde tijd, 23 procent een flexibel contract, 12 procent was zzp’er, en de rest werkte als meewerkend voorman of -vrouw in een piepkleine, eigen onderneming. Zo laat de Flexbarometer zien. Een jaar of tien geleden was het percentage werkenden met een vast contract nog circa 80 procent. Dat is een groot verschil. Niet zo gek dat flex de gemoederen flink bezighoudt.

Continu veranderende markt

Wat mij opvalt, is dat de discussie over flexibilisering zich met name richt op de arbeidscontractuele kant van de zaak: krijgen mensen wel of geen vaste baan? Terwijl de behoefte die aan flexibilisering ten grondslag ligt er vooral eentje is van ontwikkeling. Organisaties willen dynamisch kunnen opereren in een continu veranderende markt. Logisch. Maar is flexarbeid daarvoor de heilige graal? Dat valt te bezien.

Dynamisch opereren vraagt om duurzaam inzetbare medewerkers. Dat zijn medewerkers die vitaal zijn, goed presteren en blijven leren. Dat kan perfect in elke vorm van arbeidsrelatie. Maar het vraagt wel om een aantal zaken. Uit het Nationaal Onderzoek Duurzame Inzetbaarheid van Vakmedianet (2016) blijkt dat de volgende vijf factoren significant bijdragen aan duurzaam inzetbaar personeel:

1. uitdagend werk
2. netwerkmogelijkheden
3. een ontwikkelklimaat
4. goede gesprekken
5. maatwerkafspraken over ontwikkeling.

Lees meer in het artikel: 5 succesfactoren voor duurzame inzet.

Ruimte om te leren en ontwikkelen

Deze factoren gaan voorbij het transactionele arbeidscontract, dat de uitruil tussen loon en arbeid puur economisch beziet. Sterker, deze factoren brengen een ander type contract aan het licht: het psychologisch arbeidscontract. Hierin ruilen werkgevers en werknemers ontwikkelkansen versus flexibiliteit met elkaar uit, ongeacht juridische contractvorm.

Kortom: het biedt mensen volop ruimte om te leren en zich te ontwikkelen. Daar krijgt een organisatie mobiele, flexibele medewerkers voor terug, die vaak ook nog een stapje meer zetten dan in hun functiebeschrijving van ze gevraagd wordt. Het aloude adagium ‘It’s the economy, stupid’, lijkt mij dan ook achterhaald. We hebben behoefte aan een nieuwe, of op z’n minst aanvullende, kijk op de flexzaak: It’s the psychology, stupid.

TIP: de auteur, Cristel van de Ven, is dagvoorzitter op het Congres Flexibilisering op 24 mei in Houten en geeft de sessie Zit er iets tussen flexibel en vast?