Verdieping

Vast contract door flexwerk kan heel tijdelijk zijn

Wat te doen als je een tijdelijke werknemer na drie contracten niet wilt laten gaan, maar hem ondanks de bepalingen van de Flexwet, toch niet permanent aan je wil binden? Een vaststellingsovereenkomst kan uitkomst bieden.

Drie keer heeft de medewerker van een scheepsbouwer een tijdelijk contract gekregen. Als het tijd is voor de vierde, zegt de werkgever eerlijk dat hij de man niet in vaste dienst wil nemen. Omdat de plannen voor vroegpensioen onmogelijk blijken, wil de werkgever de medewerker wel ter wille zijn. Hij biedt met ingang van 18 februari 2011 een contract aan voor onbepaalde tijd, maar legt hem daarbij gelijk een vaststellingsovereenkomst voor, die bepaalt dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2012 wordt ontbonden. In de overeenkomst staat dat de werknemer het ontslag niet aan zichzelf te danken heeft en dat hij deze onder protest tekent. De werkgever adviseert de werknemer het contract en de vaststellingsovereenkomst pas te tekenen nadat hij juridisch advies heeft ingewonnen

Op 13 december 2011 vraagt de werknemer de kantonrechter de vaststellingsovereenkomst nietig te verklaren. Hij zegt dat hij zich gedwongen voelde deze te tekenen omdat hij anders al op 18 februari zijn baan kwijt zou zijn geweest. Volgens de werknemer is de vaststellingsovereenkomst uitsluitend bedoeld om onder artikel 7: 668a van het Burgerlijk Wetboek uit te komen. In de volksmond is dit artikel beter bekend als de Flexwet, die stelt dat op drie tijdelijke contracten een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd volgt. De kantonrechter volgt de redenering van de werknemer en veroordeelt de werkgever tot het betalen van een ontslagvergoeding van 49 duizend euro bruto. De werkgever tekent hier beroep tegen aan.

Het gerechtshof in Den Bosch oordeelt heel anders. Er is wel degelijk een contract voor onbepaalde tijd gesloten. Het gelijktijdig tekenen van de vaststellingsovereenkomst doet daar volgens het hof niets aan af. Een vaststellingsovereenkomst is óók geldig wanneer deze in strijd is met geldend recht – in dit geval artikel 7: 668a BW – tenzij daardoor de de openbare orde of de goede zeden worden aangetast. Anders dan de kantonrechter ziet het hof niet in hoe dat in deze zaak het geval zou zijn.

Het hof ziet bovendien geen enkele reden om aan te nemen dat de werknemer gedwongen werd de vaststellingsovereenkomst te tekenen. De werkgever heeft aannemelijk gemaakt dat de arbeidsovereenkomst werd gesloten om de werknemer de kans te geven ander werk te zoeken nu de geplande vroege pensionering niet door kon gaan. De werknemer beperkt zich volgens het hof tot vage ongeloofwaardige verklaringen. De werkgever wordt daarom in het gelijk gesteld. De werknemer krijgt geen ontslagvergoeding en moet alle juridische kosten van zijn voormalig werkgever betalen.

ECLI:NL:GHSHE:2013:3442, Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch